Termenindex


Uitvaart van een priester

Bijzondere indruk maakt een ritueel aan het einde van de uitvaart van een priester. Vanouds wordt in heel wat streken in Vlaanderen op het einde van een uitvaart van een priester een wassen kelkje in een speciaal voorziene ruimte in de kist geplaatst. Het ritueel schijnt te stammen uit de Gentse Sint-Baafsabdij, dus zeker voor 1540.

Uitvaart van pater Groenen - 28 oktober 2010Op plaatsen waar men nog Latijn kan zingen, wordt bij dat ritueel ook de hymne ‘Clementissime’, gezongen waarin Gods mildheid voor de overledene wordt afge­smeekt. De vertaling van die hymne luidt: “Goedertieren Heer, die omwille van onze ellende door goddeloze handen de dood hebt aanvaard, houd mijn ziel uit de poel der hel en uit de klauwen van de duivel. Vergeef en vergeet mijn zonden. Mogen de engelen mij naar het heilig Licht brengen”.

Dat mooie ritueel wordt helemaal toege­licht en bij elke priesterbegrafenis valt op hoe aandachtig de mensen in de kerk dan zijn. Het ritueel verloopt als volgt. De celebrant giet in een klein wassen kelkje wijn en water. Hij breekt dan een grote hostie in vier stukken en legt die vier stukken in de kelk. Er is ook een kleine wassen pateen waarop drie lonten, drie kaarsjes zitten. Die worden aangestoken. De celebrant keert die pateen met die brandende lonten om en dekt met die pateen het kelkje af. Het kelkje met inhoud wordt dan in de voorziene ruimte in de kist gezet en afgesloten.

Daarna wordt nog de tekst voorgelezen: “De betekenis van deze ritus is duidelijk: de overledene was niet alleen in deze wereld priester, hij is en blijft priester in eeuwigheid. Tevens herinnert deze ceremonie aan de bijzondere waardigheid van het ambtelijk priesterschap: het is door de woorden die de priester over brood en wijn uitspreekt dat de Heer in de christelijke gemeenschap aanwezig komt”.

Dit ritueel verwijst zeker ook naar ons geloof dat men niet alleen priester is zolang men een benoeming heeft maar voor altijd. Ik denk dan spontaan aan wat we lezen in Psalm 110 vers 4: “De Heer heeft een eed gezworen en Hij zal er geen spijt van krijgen: ‘Zoals Melchisedek bent U priester voor altijd”. Deze zin vinden we ook terug in het vijfde hoofdstuk van de Hebreeënbrief.

Het priesterschap geeft (zoals doopsel en vormsel) “een onuitwisbaar merkteken op onze ziel”. Eens gedoopt, gevormd en priester gewijd, blijf je dat altijd. God blijft trouw aan Zijn verbond met ons. Uit sacramenteel oogpunt bestaan ontdopen, ontvormen of ontwijden niet. Ook al wil een gelovige niets meer met het Doopsel, Vormsel of Priester­schap te maken hebben, je blijft het wel. God blijft aan ons trouw, al is er van onze kant geen trouw meer en God blijft van Zijn gedoopte kinderen houden, ook al is er geen wederliefde.

Zoals zo mooi staat in de tweede brief aan Timotëus, hoofdstuk 2 verzen 11-13: “Want als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij met Hem leven. Als wij volharden, zullen wij met Hem heersen. Als wij Hem verloochenen, zal Hij ons verloochenen. Als wij ontrouw zijn, blijft Hij trouw; zichzelf verloochenen kan Hij niet”.